Vier korte verhalen

Stella Poli Dutch Translation

Read the Dutch translation by Lien Bruyninckx of the short stories ‘Je fait des tour’, ‘Leonor’, ‘Radici’, and ‘Sere’, originally written in Italian by writer Anna Stella Poli.

Poli explores identity, sexuality, and change in a lyrically broken style.

You don’t know Dutch? Don’t worry, we’ve got you covered. We have more:

To read the original in Italian, head to our shop and get your Issue Zero of LONGITŪDINĒS for free (or support us with a small donation).

Je fait des tours

Wanneer ik instap, kijkt ze me aan, de bus is halfleeg, ik ga naast haar zitten. Ze lijkt op een diertje, ik kan niet direct zeggen op welk. 
Ze heeft kleine, ingevallen ogen, vreemde groeven in haar gezicht. Jong. Kort, warrig haar. Een muisje, een wezel, een donkere hermelijn. Ik, een heimelijke spion. Ze ruikt naar ongewassen kleren. Ze praat tegen me.
Ze gelooft me niet, ze heeft gelijk om me niet te geloven. Ik zoek de oorzaak voor al dit wantrouwen. Vanwege haar geur, misschien, of door die kleine en zeer beweeglijke ogen.
Ik open mijn tas, neem mijn gsm, druk op het sms-icoon, en zeg haar begin maar te typen. Vervolgens houd ik haar in het oog, want mijn gsm in haar handen maakt me onrustig.
Wat een verwerpelijk instinct, zeg ik tegen mezelf. Het is niet eens waardevol. Ze schrijft. Het zet alles automatisch om in het Italiaans. Ik zeg haar dat ik een Italiaanse ben.
Ze heeft het koud. Ze kijkt naar mij. Ik check, maar er is geen antwoord. Ze vraagt een halte aan, maar vertrekt niet. Dan, uiteindelijk, stapt ze uit. Ze bedankt me niet, zegt me geen gedag.
Ik stap drie haltes later uit, ga boodschappen doen, koop een stuk quiche voor morgen, eenmaal binnen zet ik de radio aan en open een fles witte wijn.
Terwijl ik aan het koken ben, denk ik terug aan haar. Ik heb het niet gelezen, om niet indiscreet te lijken. Ik ben niet heel nieuwsgierig, maar ik kijk toch. 
Ik vind het bericht, het versturen is mislukt. Ze zegt: Cest diyhia stp laisse moi venir car depuis tt alheur je fait des tour de bus et ji froid jai pas envie de dormir dehors desole si je tai manquer de respect a ts pote jai frois et je fait des tour depuis.

(Diyhia hier. Alsjeblieft, laat me langskomen. Ik zit al een tijdje rondjes te maken op de bus en ik heb het koud. Ik wil niet buiten slapen. Het spijt me als ik jou of je vrienden niet respecteerde. Ik heb het koud, ik doe niets anders dan rondjes maken.)

Leonor

Leonor was het begin, majestueus, en het einde, bliksemsnel, van de twijfels. Ze sprak ballet uit met een lichte L zoals camelia’s. Ze was jong, at rauwe garnalen, beet in haar duim wanneer je haar vragen stelde over de toekomst. Ze liet haar haren kort knippen zoals sommige kinderen vroeger op vakantiekamp en toen ze haar aan de ronde tafel vernederden, huilde ze niet, maar stotterde ze drie minuten lang. 
Ze studeerde in Nederland, ze vertelde me dat ze op een dag een trein liet wachten om een jongen met een zijscheiding in zijn haar te achtervolgen en hem twee chocoladebroodjes te brengen waarvan ze dacht dat ze die samen zouden opeten. Hij nam ze aan, gaf haar een kus op de wang en terwijl hij ging zitten, sloot hij de deuren voor de ogen van de geshockeerde pendelaars, die  haar allemaal toejuichten.
Maar dit alles is van weinig belang omdat we die dag tijdens de lunchpauze naar de zee waren ontsnapt, de zee lag net voorbij het kasteel, je kon haar bereiken via een geplaveide weg naar beneden. Leonor had niets aan onder haar kledij, ik had mijn hemd al uitgedaan – ik voelde me altijd log naast haar, zij was lang en gespierd en slank en glimlachte. Toen Leonor ineens naakt was, stelde ik voor dat ze een handdoek moest nemen, ze had grote kaneelkleurige tepels en een wild kutje, imposant, klimmend als klimop, donker als een zonde. Het duurde slechts een seconde, een seconde later droeg ze al een oranje bikini die ze behendig had geknoopt, maar ik bleef steeds stil, zowel toen we besloten om van de rotsen te springen als toen, drijvend, ze me vertelde over haar eerstvolgende treinen, over een dreigend vertrek, wie weet wanneer, het weerzien.

Wortels

Ze had ze geteld. Ze was twaalf keer verhuisd. De meeste keren waren fijn, de laatste keer, een beetje onrustig. Net als de paarse flipperkasten, was ze terug bij af.
Ze kon nog steeds de bing bing van de bonus horen, met de dolgedraaide lichtjes in de terugkaatsende staven.
Ze was amper dertig jaar. Ze was op een plein, hij belde haar om te vragen waar het plein was of misschien waar ze was, ze was op het plein. Zes seconden twijfelde ze sterk aan de namen van de omliggende straten, toen ze een detail zag dat bruusk een einde maakte aan haar twijfel en hij zei ah, ja, ik kom eraan.
Hij leek jonger, meer ontspannen, nog meer gebruind. Het moet in mijn hoofd zijn, zei ze tegen zichzelf, dat ze zich een beetje boog in haar sweatshirt waaraan ze trok om haar handen te bedekken en dat het een vochtige avond was, met die zwevende, roerloze nevel.
Ze voelde vreemde tintelingen. Hij vertelde haar over een festival langs een rivier waar hij een journalist had geïnterviewd en ze vroeg zich af wie weet waar ik was, twee jaar geleden, en ze vertelde hem niet eens dat ze het wilde horen, dat leek impliciet.
Een vriendin van hen nodigde hen uit om iets te gaan drinken in het café ernaast, ze wilde laat blijven tot een conferentie over internationale geopolitiek. Ze zei meteen ja, dat ze graag iets wilde gaan drinken en dat ze het koud had.
Het moeten vijftien stappen zijn geweest, diagonaal. Ze probeerde een keer, een tweede keer.
Ze keek hem met een zekere paniek aan en zei, rustig, beschaamd, ik kan me niet bewegen.
Sorry, wat zeg je?
Ik kan mijn voeten niet optillen, ze komen niet los.
Hij was een pragmatische man, hij boog zich voorover om naar haar voeten te kijken. Til eens op, zei hij. Dat probeer ik, zei ze. Dat heb ik al geprobeerd, zei ze. De enkellaars kwam een heel klein beetje van de grond. Wortels, zei hij.
Je hebt wortel geschoten, zei hij, zijn ogen gericht op de schaduw tussen de zool en de kasseien van porfier.
Hij stond weer recht, ze keken elkaar verbaasd aan.
Dit is jouw schuld, zei ze bliksemsnel. Toronto is mooi, maar ik wil er niet meer heen. En er is niets dat erop lijkt, hier. Jij bent de enige die me zin geeft om. Zoals in de vrouwenmagazines.
Om te blijven. Wortel schieten, maar niet op die manier. Langzaam, heel langzaam, voorzichtig, geduldig. Sinds ik aan je denk, kan ik niet meer tegen je praten. Ik kijk naar deze stommiteit en ik denk dat het een verlangen is om geen fouten te maken. Ik leg me neer bij al deze idiote zin om geen fouten te maken, om niet te denken aan hoe je bij het hoogtepunt moet herbeginnen, met andere wegen, andere wrijvingen, andere lichtjes. 
Hun geopolitieke vriendin stopte met praten, ze speelde met iets in haar hand, iets waar ze naar had zitten staren. Hij zei ik denk dat ik maar eens naar huis ga.
Ga je naar huis?, vroeg ze.
Ja, sorry, ik ben echt moe. 
Ze gaven elkaar een kus op de wang, hij liep naar de auto.
Ze stopte voor een biertje. Haar voeten werkten.

Sere

“I should wear my tiger pants,
I should have an affair”

Mijn vader heeft zeven maanden lang niet tegen me gepraat, ik heb zes dagen niet tegen Martina gepraat.
Ik zei tegen mezelf dat met meer aandacht voor timing alles had vermeden kunnen worden. Ik loog. Als je de remhendel in je hand breekt, kan je de crash niet voorkomen. Maar het was geen exacte vergelijking.
Ik raapte ze op, stak ze allemaal in een groenblauwe zak, ging naar Martina. 
Terwijl ik liep, probeerde ik me haar, zoals mezelf, voor te stellen op straat, we hadden de dag afgesproken. En toch kon ik me haar niet echt voorstellen, ik had altijd gedacht dat haar moeder, met al die sproeten en meditatielessen, het zou begrijpen, of het altijd al zou hebben geweten.
Ik nam de trein en vervolgens de bus, zonder iets te zeggen, denkend aan haar wimpers wanneer ze met haar ogen rolde, de manier waarop ze bloosde wanneer ze werd verrast.
Ik kwam aan toen de zon onderging. Waarlijk, er was niemand op straat, zelfs Martina niet. 
Ik belde aan. Haar moeder glimlachte, een beetje vragend. Ze riep Martina.
Toen ik haar zag, bloosde ze niet. Ze leek niets te kunnen zeggen.
Het kostte me oneindig veel tijd om het te begrijpen, ze had me al bij de arm genomen en naar haar kamer gebracht. 
Je hebt niets gezegd, zei ik tegen haar, zonder ook maar een hint van een vraag in mijn stem. 
Ze keek omlaag. Mijn vader heeft me eruit gegooid en jij hebt niets gezegd. Ik kan het niet, jammerde ze. Sere, ik kan het niet.
Ik nam afscheid van haar moeder, ging de straat op, sliep in het hostel naast het station waar we op een middag in april de liefde hadden bedreven.
We hadden samengewoond in São Paulo, we hadden gekust op straat in Porto. Ik gaf Parma de schuld, maar misschien was het niet eens de hare.

Niet wetende wat te doen, belde ik Costanza, Costanza zei kom maar naar hier, ik zal de bank opmaken. 
Op de trein naar Parijs huilde ik zo stil mogelijk, ineengedoken.

Anna Stella Poli

Anna Stella Poli (in Latin 'the pole star': 'strange omen for an often disoriented girl', she says), earned her PhD in Contemporary Italian Literature and Philology from the University of Genova. Her book of short tales, Cucchiai. Un'antologia di fallimenti, written with Guido Casamichiela was published in 2019. She is profoundly happy when she dives into the water and when she cycles back home on warm summertime nights. When she is horribly sad, everything gets more complicated.

0 replies on “Vier korte verhalen”